Fragment uit de EMDR-sessies

Onderstaand fragment komt uit “Een Dubbele Overwinning”:

6 april 2018

Als ik nog niet wist dat de spasmen en krampen in mijn been tussen mijn oren vandaan kwamen, dan weet ik het nu zeker. Vandaag hebben Marlies en ik een punt bereikt wat ik zelf als doorbraak beschouw.

Ik ben vroeg aanwezig, en Marlies heeft eerder tijd. We beginnen dus een kwartiertje eerder dan normaal. We pakken de draad op bij mijn verslag van afgelopen dinsdag, en ik vertel hoe het sindsdien met me is gegaan. Ik merk dat ik aan alle kanten meer gespannen ben, en dat de spanning die ik al op mijn borst voelde nu ook hoger zit, bij mijn keel. Eergisteren zat ik het nieuws te kijken, en er was een topic over Congo, waar het volgens RTL niet goed zou gaan. Goh, dacht ik nog, gaat het dan ooit wél goed in Congo? Vervolgens zie ik beelden van de VN-vredesmacht in Congo die pijnlijk overeenkomen met mijn eigen ervaringen in Bosnië. Witte vrachtwagens met erbarmelijk licht bewapende militairen met verouderde stalen blauwe helmen achterin. Het commentaar vermeldt dat “de blauwhelmen een moeilijke taak hebben, want omdat het een vredesmacht is mogen zij niet militair ingrijpen”.
“Godgloeiendegodverdegodver” dacht ik, “hebben ze van Joegoslavië na 25 jaar dan helemaal NIKS geleerd???”, en ik voel de stress zowat door het plafond heen gaan. Léanne en de kinderen zitten er bij, dus ik weet het goed te verbergen (geloof ik).
Gisteren tijdens het boodschappen doen ging het ook even mis. Léanne was eerst nog even naar de Action, ik was de Jumbo al binnengelopen. Maar al snel kwamen de stellingen op me af, en zoemde het geroezemoes van de andere klanten om me heen. Léanne vindt me achteraan in de winkel, maar er ligt nog nauwelijks iets in de kar. Als we even later de auto inladen zegt ze “Zal ik maar terug rijden?” Zoals gewoonlijk ziet ze al lang dat het niet gaat. De schat!

Marlies vraagt me hoe hoog de spanning ten opzichte van dinsdag is, en ik geef het gelijk een 10. Sinds dinsdag komen er steeds meer beelden op mijn netvlies die ik in feite al had weggestopt voordat ik in Split op het vliegtuig terug naar Nederland stapte. Het voelt als een snelkookpan die de druk niet meer aankan.
Ik zie een van de allereerste beschietingen voor me die ik meemaakte. Ik zie een huis waar kogels en granaten inslaan. Ik zie een persoon naar buiten rennen, ik kan niet zien of het een man of een vrouw is. Ik zie ook die persoon na drie of vier stappen als een zoutzak neerploffen. Dan zie ik nog twee mensen naar buiten rennen, en met hen gebeurt precies hetzelfde. Ook nu kan ik niet zien van welk geslacht ze zijn (alsof dat wat uitmaakt), maar ik zie wél dat een van hen een kind is. Ongenadig neergemaaid door nietsontziend mitrailleurvuur. Ik zie mezelf perplex staan. Ik zie mezelf een verbandtas grijpen en er naartoe rennen, maar ik voel dat ik in mijn kraag gegrepen word en naar achteren word getrokken. “Nee, lul, we gaan de bunker in!” Ik stribbel tegen, als een konijn in een strik. Maar ik word meegesleurd.

Ik zie mezelf in de bunker. Als een soort vlieg op de muur zweeft de ik uit het hier en nu boven de ik van toen. In de bunker wordt gegrapt. Vreemd hoe mensen die doodsbang zijn hun toevlucht nemen tot het maken van flauwe grappen. Het is de adrenaline, ik weet het, maar toch. Want ik zie mezelf denken: “Waar zijn we in Godsnaam mee bezig?”. En ik zal vast niet de enige zijn die dat toen dacht.

Marlies vraagt aan me wat ik tegen mezelf zou zeggen als ik naast mijn vroegere zelf zou staan, en ik zeg: “Ik zou zeggen: doe iets. DOE IETS!!!”
Doe iets, ga helpen! Ren naar die slachtoffers en doe waarvoor je getraind bent, hélp ze, maar doe in elk geval iéts!
Dan komt het beeld van mijn commandant voor mijn ogen, en in gedachten grijp ik hem bij zijn kraag. “Kapitein, doe iets! Leg twee pelotons in stelling, geef tegenvuur! Laat me onder dekking naar die slachtoffers gaan en laat me ze helpen! Maar doe in elk geval iéts!”
Het beeld van mijn baas kijkt treurig naar me terug. Marlies vraagt wat hij zou hebben gezegd.
“Ik zou graag willen, maar het mág niet. We kúnnen niks doen!” Tsja, daar heeft hij wel gelijk in. Wat kun je doen met alleen een paar Uzi’s? Twee keer 25 patronen, dat is alles wat we per man hadden. Dat is PRRRRRRRRRRRT, en nog een keer PRRRRRRRRRRRT, en je hebt niets meer. Leeg. Dat zou dan een zeer kort, en vooral totaal nutteloos tegenvuur zijn geweest. Bovendien hadden die Kroaten ons kamp finaal aan flenters geknald als we terug hadden geschoten.

Het borrelt allemaal naar boven, de vloed is niet meer tegen te houden. De frustratie, de woede, de machteloosheid, de totale waanzin van onze aanwezigheid daar. De volslagen idioterie van het mandaat dat die jasje-dasjes uit New York ons hebben meegegeven. En dan heb ik het niet alleen over ons als Transportbataljon, maar over álle VN-militairen die toen in het gebied zaten. 35.000 man uit 54 verschillende landen. Duizenden infanteristen, honderden gevechtsvoertuigen, tientallen zware tanks. En allemaal mochten ze net zoveel als ik: NIETS!
Eindelijk beginnen we aan de kern van mijn problemen te komen. Ik ben boos. Woedend. PISNIJDIG! Marlies had het al in de gaten, maar het besef dringt zich nu ook aan mezelf op.

Ik ben boos op mezelf. Op mijn machteloosheid, op mijn onmacht. Omdat ik niet bij machte was om dat hele VN-mandaat een hele dikke middelvinger te geven en te doen. Maar vooral op “het systeem”. Niét op mijn maten, en ook niet op onze leiders en commandanten. Zelfs niet op de hogere staven in Bosnië. Maar wel op onze regering, die ons met zo’n abominabel slechte uitrusting en voorbereiding op uitzending heeft gestuurd. En op de VN. Voorál op de VN!
Op die klootzakken die in hun ivoren toren in New York een vredesmacht inzetten in Joegoslavië, als een pion in een wereldwijd schaakspel, maar ons niet de middelen en vooral niet de macht wilden geven om écht een einde te maken aan het bloedigste conflict dat Europa sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gekend. Voor mij zijn het moordenaars, het bloed van meer dan 100.000 mensen kleeft aan hun handen! De tranen gutsen uit mijn ogen.
Marlies vraagt wat ik met hun zou willen doen, en ik zeg dat ik ze het liefst kapot zou schieten. “Doe maar!” zegt ze. “Doe maar! Beeld je in dat je ze kapot schiet!” Maar dat gaat me toch te ver. Want ook dat gaat in tegen mijn inborst, mijn overtuiging, tegen wie ik ben. Dus laat ik in gedachten in plaats daarvan het VN-gebouw in New York maar instorten
.

In dit alles begint mijn been ongenadig op te spelen. Marlies vraagt wat er zou gebeuren als ik de controle op mijn been zou loslaten. Als ik dat doe begint hij ongenadig om zich heen te schoppen, en zal het uiteindelijke resultaat een flinke kramp zijn. Maar ook nu zegt ze: “Doe maar. Laat hem maar gaan, want volgens mij is dat precies wat hij wil. Hij wil schoppen!” Maar ik durf niet. Bang voor de pijn en de kramp. Maar ik voel dat ze gelijk heeft. Het lijkt alsof mijn been letterlijk schreeuwt: “Laat me gaan!” Als een soort Scrappy Doo die tegen Scooby Doo zegt: “Lemme at ’em, uncle Scooby!”
Als Marlies voorstelt om haar handen om mijn been te leggen durf ik het toch aan. Ik laat mijn handen, die al een tijdje uit alle macht mijn bovenbeen vasthouden, los. Ik voel Marlies’ handen zacht om mijn kuit, en ik voel mijn been gaan.

Een golf van emotie overspoelt me, ik huil ongecontroleerd. Het is alsof ik behalve de controle op mijn been, ook de controle over mezelf verlies. Mijn been gaat alle kanten uit, ik voel de kramp in mijn kuit schieten. Nog steeds heeft Marlies haar handen om mijn onderbeen. Er straalt een vreemd soort warmte vanaf. Niet het gevoel van eerder, alsof mijn huid in brand stond. Nee, nu lijkt het bijna een behaaglijk gevoel. Ze praat ook tegen me, maar in alle emotie hoor ik niet eens wat ze zegt. Ik hoor wel de toon, want die is zacht en geruststellend.
Ik merk dan ook het effect. Want zo snel als de kramp kwam, bijna net zo snel zakt hij weer weg. Ik voel hoe mijn kuit tot rust komt, hoe de spasmen minder worden.
En ik hoor mijn been. Ik hoor mijn been letterlijk tegen me zeggen: “Dat had je véél eerder moeten doen, prutser!”
Door de tranen heen begin ik te lachen.

Zoals ik al zei: als ik het nog niet wist, dan weet ik het nu. De problemen met mijn been komen uit mijn hoofd, mijn geheugen. Nee, dat zeg ik verkeerd. Ze komen uit mijn geweten, uit mijn ziel.
Ik zeg het ook tegen Marlies. “De pijn zit niet in mijn kuit, maar in mijn hart en in mijn hoofd.”
Ook letterlijk, want de spanning op mijn borst is nu zo groot dat het lijkt alsof er een olifant op mijn borst zit, en ik heb een knetterende koppijn. Maar vooral figuurlijk – het is pijn in mijn ziel. Pijn die wordt veroorzaakt door 25 jaar lang onderdrukte woede, frustratie, angst, machteloosheid en schuldgevoel. Alsof een mes die door mijn ziel is gestoken, en door een onzichtbare hand telkens weer in de wond wordt rondgedraaid.

Marlies geeft me een nieuwe opdracht. Elke dag mag ik een minuut of 10 boos zijn. Elke dag mag ik mijn woede visualiseren, even echt boos zijn, en vooral mijn been zijn vrije gang laten gaan. Ik zie uiteraard weer allerlei beren op de weg. Het is om te beginnen natuurlijk een raar idee, boos worden op commando. Daarnaast heb ik nog steeds de angst voor de pijn, voor kramp. Maar ook: hoe gaan ze daar thuis op reageren? Dus in elk geval niet als de kinderen thuis zijn. En liever ook niet bij Léanne, want ik wil niet dat ze me boos ziet. Maar aan de andere kant juist weer wel, want ik wil dat er iemand me bijstaat als ik dat doe, want wat nu als ik erin blijf? Alleen Léanne kan me dan terughalen naar het hier en nu. Dus wel met Léanne.

Als ik thuis kom word ik door Léanne opgevangen. Ze zet een kop koffie voor me, en ik begin te praten. Opnieuw vloeien er tranen. Ik vertel wat er is gebeurd, over de boosheid, de onmacht, de frustratie. Soms moet ik even stoppen, als de emotie me teveel wordt. Ik vertel haar ook over die mensen die ik doodgeschoten heb zien worden, en hoewel haar hand troostend in de mijne ligt zie ik op dat moment ook wat schrik in haar ogen. Het is ook niet niks om te horen, vooral niet omdat ik zo lang mijn mond hierover heb gehouden. Gelukkig verdwijnt de schrik net zo snel weer. Ze is natuurlijk ook wel wat gewend.
Ze zegt tegen me dat ze vanaf het allereerste moment dat we elkaar leerden kennen al wel wist dat er heel wat meer aan de hand moest zijn dan alleen de dingen die ik toen wel durfde te vertellen.

Vandaag begin ik nog niet aan Marlies’ opdracht, ik denk dat ik voor vandaag wel even boos genoeg ben geweest. Ik ben doodmoe, en ik heb nog steeds het gevoel dat ik elk moment in huilen kan uitbarsten. Dat gebeurt ook als Léanne met de meiden thuiskomt, en de dametjes me hun jurk voor het schoolgala showen. Als ze in hun schitterende jurken de kamer inkomen schiet ik vol. Ik kan het gelukkig verbergen achter mijn bril. Maar dit zijn tranen van geluk, ze zien er zó prachtig uit! Met zoveel moois heb ik dan ook helemaal geen zin om boos te zijn.
Morgen weer een dag.

Nieuwsgierig geworden? Bestel ‘m dan snel!

Share

You may also like...