25 Jaar Srebrenica

Ik ben geen Dutchbatter. Dat is een misvatting die veel mensen in Nederland maken – dat een Bosnië-veteraan bij Dutchbat heeft gezeten. Ik ben één keer in Srebrenica geweest, toen ik in 1993 met een konvooi van 1 (NL/BE) VN Transportbataljon een voorraad meel voor de bevolking afleverde bij de Canadese infanterie-eenheid die vóór Dutchbat de enclave bemande. De mensen die mij kennen – of die mijn boek hebben gelezen – weten dat ik Bosnië-veteraan ben, maar ik heb niet in Srebrenica gezeten.

Ik hád daar wel kunnen zitten. In de jaren dat Dutchbat opereerde in Srebrenica diende ik in Duitsland bij het 42e Pantserinfanteriebataljon (in de volksmond 42 BLJ, naar Bataljon Limburgse Jagers), dat in november 1994 door het Haagse werd aangewezen als Dutchbat-4. Voor de gelegenheid werd het omgedoopt tot Dutchbat Griffin – naar de griffioen die het embleem vormde van de 41e Lichte Brigade waartoe het bataljon behoorde. 42 BLJ was in die tijd naast de drie luchtmobiele bataljons het enige gevechtsbataljon dat was gevuld met beroepsmilitairen. Het was in een tijd dat de Landmacht nog voor het grootste deel bestond uit dienstplichtigen. Dus het was toen ik in de zomer van ’94 bij 42 BLJ werd geplaatst maar al te eenvoudig om te concluderen dat wij, na Luchtmobiel, de volgende zouden zijn. Ik was hospik, dus mijn plek zou de hulppost op de compound in Potočari worden.

Op 4 juli 1995, twee dagen voordat de Serviërs onder generaal Mladic hun aanval op de enclave inzetten, stond ik met mijn complete uitrusting in mijn plunjebaal in het officiershotel op de legerplaats Seedorf, de oude blauwe baret van mijn uitzending met het Transportbataljon op het hoofd. Ik was een van slechts zestien leden van het bataljon die al eerder naar Bosnië uitgezonden was geweest, en mijn verkleurde, vaalblauwe baret stak overduidelijk uit tussen alle hagelnieuwe knalblauwe hoofddeksels van mijn collega’s. Het bataljon stond na acht maanden stevige voorbereiding klaar voor vertrek naar Srebrenica, en ik zat bij de eerste rotatie.
Zoals verwacht stond er een voor ons totaal onbekende officier met de gebruikelijke peptalk. Wat we echter niet verwachtten was zijn boodschap. In plaats van het geijkte “Succes mannen, we zijn trots op jullie” deelde hij ons mede dat het vertrek twee dagen werd uitgesteld vanwege de dreigende situatie in de enclave.  

Zo hebben we drie keer gestaan. Klaar voor vertrek, om pal voor het instappen in de bus die ons naar het vliegveld zou brengen te horen dat het vertrek opnieuw werd uitgesteld omdat OP zus en OP zo door de Serviërs waren opgerold. “Opgerold” als acroniem voor “de bemanning van de OP is beschoten en verjaagd, of zelfs gevangen genomen”. De vierde keer was op 11 juli. Die beruchte 11 juli. De woorden van onze bataljonscommandant klinken nog in mijn geest: “Mannen, we gaan niet. De enclave is zojuist gevallen, de Serviërs hebben Srebrenica helemaal ingenomen”.

Op dat moment was een belangrijk contingent van ons bataljon, de Alfa-compagnie, al onderweg naar Bosnië. Zij zouden een voorpost bemannen in Simin Han, buiten de grenzen van de UN Protected Area, zoals de enclave officieel door de VN was betiteld. Zij waren dan ook niet gehinderd door de gebeurtenissen die binnen de enclave hadden plaatsgevonden, en konden de compagnie van Dutchbat-3 in Simin Han succesvol aflossen. Maar zij kregen vervolgens de volle lading van de nasleep van de Val van Srebrenica voor hun kiezen. Toen zij in november 1995 terugkeerden naar Duitsland waren zij gepokt en gemazeld, en hadden dezelfde verdwaasde blik in hun ogen die ik inmiddels ook bij de veteranen van Dutchbat-3 had gezien.

Tot op de dag van vandaag weten heel veel mensen niet eens dat er een Dutchbat-4 is geweest. De mannen en vrouwen van de Alfa worden “De Vergeten Compagnie” genoemd. Toen zij terugkwamen werden ze door ons als helden binnengehaald, maar tussen de Alfa en de overige compagnieën zat het niet helemaal lekker. Er heerste een ongemakkelijk gevoel tussen zij die er waren geweest, en wij die niet hebben mogen gaan.
De pers was in geen velden of wegen te bekennen. Die waren inmiddels al veel te druk met het natrappen en als lafaards wegzetten van Thom Karremans en zijn mensen. En ook de politiek was op dat moment al dusdanig druk om de messen te slijpen voor het fileren van Dutchbat-3, dat ze alle andere uitgezonden eenheden totaal uit het oog waren verloren.

Een maand na de terugkomst van de Alfa-compagnie vertrok de rest van het bataljon als “groene” NAVO-eenheid alsnog naar Bosnië, en ik was er bij. Wij gingen een vrede afdwingen die er nu ook daadwerkelijk was. Tegen de tijd dat wij een half jaar later terugkwamen, was de Alfa totaal van het bataljon vervreemd. Het heeft heel lang geduurd voordat die band weer enigszins was hersteld. Maar de Alfa-ganzen (hun embleem is dat van twee copulerende ganzen in vlucht) zijn sindsdien altijd een beetje een aparte club binnen BLJ gebleven.

Ik heb altijd een vreemd en gemengd gevoel gehad bij Srebrenica. Toen het gebeurde heerste in eerste instantie de teleurstelling. Acht maanden lang had je fysiek maar vooral mentaal toegewerkt naar een loodzware missie, en als je dan hoort dat je niet gaat, val je echt even in een gat. Maar dat duurde maar heel even. Binnen een maand zat ik in Zagreb om een nieuwe taak uit te voeren (het verwerken, tellen, onderhouden en naar Nederland verschepen van het materieel van Dutchbat), en nog vóór het einde van het jaar diende zich alsnog een missie aan: IFOR. In die door de NAVO geleide missie heb ik, dankzij een totaal ander en veel krachtiger mandaat, een klein steentje bij kunnen dragen aan wat de VN met UNPROFOR vier jaar lang niet is gelukt: vrede brengen in Bosnië. Waar we, toen we eind december 1995 aankwamen in Novi Travnik, nog met helm en kogelwerend vest aan onder begeleiding van minimaal twee pantservoertuigen (deze keer wél met 25mm-kanon!) moesten verplaatsen, kon ik tegen de tijd dat het zomer werd in mijn eentje in een “zacht” voertuig door het gebied rijden, met helm en vest weliswaar onder handbereik, maar op de bijrijdersstoel. Dat was een mooie transitie om mee te maken.


Wat Srebrenica betreft heb ik vooral een “what if” gevoel overgehouden. Voortdurend sinds die inktzwarte week in juli 1995 is bij mij het onderhuidse gevoel gebleven dat het voor mij en 42 BLJ heel anders had kunnen lopen. Want wat als Mladic twee weken had gewacht totdat de rotaties voltooid waren en de aflossing een feit was? Dan waren wij het geweest die de volle lading van de Val van Srebrenica over ons heen hadden gehad. Ik durf me geen voorstelling te maken van hoe dat eruit had gezien. Wij waren totaal onervaren geweest, onbekend met het gebied (want we mochten in de aanloop naar onze missie het terrein niet verkennen van de Serviërs), en we hadden een commandant die naar de mening van velen van ons de instelling had “dat we daar de oorlog wel eens even zouden gaan winnen”.
Nog steeds heb ik het knagende gevoel dat als de Val van Srebrenica onder onze vleugels had plaatsgevonden, er veel meer Nederlandse doden zouden kunnen zijn gevallen.

Deze week is het 25 jaar geleden dat Srebrenica viel. En eindelijk, na 25 jaar, mogen de veteranen van Dutchbat-3 hun verhaal openlijk doen. In een schitterend drieluik van Coen Verbraak doen zij hun verhaal. Het échte verhaal! We zien en horen niet alleen de dingen die wij toen op TV hebben gezien, maar ook – en vooral! – wat er net buiten beeld gebeurde. Bij elke aflevering viel mijn bek letterlijk open. Bij elke aflevering begon mijn been weer als een dolle te stuiteren, en vloeiden de tranen over mijn wangen alsof ik weer in de behandelkamer in de kliniek in Zeist zat. Bij elk woord dat ik van die mannen en vrouwen hoorde kwam mijn eigen gevoel van machteloosheid, schuld en woede weer terug. Maar ik besefte me ook hoeveel erger het voor hen moet zijn geweest.
Die mannen en vrouwen hebben niet alleen machteloos moeten toekijken hoe een epische ramp zich voltrok, ze zijn vervolgens verguisd, in de steek gelaten, veroordeeld en 25 jaar lang met de nek aangekeken door zo’n beetje de hele wereld. Diezelfde wereld die vanaf dag één tot 11 juli 1995 – en nog láng daarna –  de andere kant op keek.

Ik zie de pijn, de woede en de frustratie in de ogen en de houding van Thom Karremans, de gedoodverfde zondebok van de Val van Srebrenica. Ik ben zó blij dat nu in de openbaarheid komt wat er net buiten de camera’s gebeurde terwijl de overste zijn ultieme vernedering door Mladic onderging – om vervolgens na terugkomst in Nederland door zijn meerderen, de politiek en de samenleving nog veel harder te worden neergesabeld. Ik kan me zó goed voorstellen hoe hij zich moet voelen. En dat terwijl hij het in mijn optiek niet anders had kunnen doen. Hij heeft zijn mannen en vrouwen zo goed als heelhuids mee terug genomen, het enige dat hij op dat moment nog kon doen. Want het uitvoeren van zijn opdracht was al kansloos vanaf het moment dat Dutchbat-1 voet in Bosnië zette. En iedereen wist dat, van de hoogste topfunctionarissen van de VN in New York tot aan de Canadese hospik die ik in 1993 in Srebrenica sprak.

Ik voel mijn bloed koken van woede als Anne vertelt dat hij door een wildvreemde wordt uitgescholden voor lafbek als diegene het Dutchbat-3 embleem op zijn jas ziet, en ik denk terug aan het moment dat mijn vader hetzelfde zei over Karremans. “De enige lafbek”, heb ik hem toen geantwoord “is de klootzak die vanuit zijn luie stoel, zonder ooit ook maar één dag in het leger te hebben gediend (mijn vader is onder zijn dienstplicht uitgekomen omdat hij in de koopvaardij zat), en zonder ooit te hebben gezien of meegemaakt wat die mannen hebben meegemaakt, het gore lef denkt te hebben om over die mensen te kunnen oordelen!”
Het was de laatste keer dat ik ruzie heb gehad met mijn vader, maar ik heb sindsdien ook nooit meer een goed gesprek met hem kunnen hebben.

Ik voel de tranen in mijn ogen als ik Liesbeth haar verhaal hoor doen – vooral over haar tijd nadat ze terugkwam. Ik zie daarin zóveel raakvlakken met mijn verhaal. Haar fysieke pijn, haar onrust, ik herken het allemaal. Want ik heb het in en na mijn missie ook meegemaakt. En als ik dan zie hoe zij samen met haar man en kinderen terug is gegaan naar Potočari om het af te sluiten, hoop ik zó dat als ik in september samen met mijn vrouw terug ga naar Bosnië (als het door kan gaan!), die reis voor mij hetzelfde effect zal hebben.
Berusting. Afsluiting.

Tijdens de eerste aflevering van de documentaire zei ik tegen mijn vrouw: “Deze docu had 25 jaar geleden moeten zijn gemaakt!” Misschien was er dan al meer begrip geweest voor deze helden, want dat zijn het in mijn ogen. Niet eens zozeer vanwege wat ze in de enclave hebben gedaan – ik weet er alles van om machteloos te moeten toezien hoe mensen voor je neus geschoffeerd, beledigd, uitgescholden, geschopt, geslagen en zelfs vermoord worden zonder er ook maar iéts aan te kunnen doen, en geloof me: dan voel je je écht geen held – maar vooral vanwege het feit dat ze daar al 25 jaar mee moeten dealen, tegen de publieke opinie in. En ze zijn er nog! Na 25 jaar staan ze nog fier rechtop!
Maar ik hoop dat nu, na 25 jaar, de tijd eindelijk is gekomen dat de Nederlandse samenleving als geheel bereid is om de mannen en vrouwen van Dutchbat-3 de erkenning en waardering geven die ze zo hard verdienen. De eerlijke, integere en indrukwekkende docu van Coen Verbraak is daarvoor in elk geval een enorme stap in de juiste richting.
Coen, dankjewel!

Vandaag, op 11 juli, sta ik stil bij de Val van Srebrenica. Mijn veteranenvlag hangt halfstok in de mast. Ik huil, rouw en herdenk mee met mijn broeders en zusters – de veteranen van Dutchbat. Wat mij betreft zou het Nederlandse korps veteranen een gezamenlijk motto mogen hebben: FRATRES AD VITAM.
Kameraden voor het leven!

Share

You may also like...